Brandstofdepot ME163 op Deelen

Eind 1943 werden een aantal Fliegerhorsten aangewezen waar het vliegtuig de Me 163 gestationeerd zou moeten worden. De Luftwaffe wilde het voor de geallieerden belangrijke doelwit, het Roergebied, met de Raketjager beschermen door een luchtschild voor het Roergebied op te werpen. Gelet op de actieradius van het vliegtuig, maar 40 km, werden de stationeringslocaties op zo’n 80 km van elkaar gezocht. Het werden de Fliegerhorsten Deelen, Twente en Venlo. Daarmee een schild ten westen en noordwesten van het Roergebied vormend. De richting van waaruit de geallieerde bommenwerpers aankwamen. Deze vliegvelden werden voor de komst van de Me 163 aangepast.

Meserschmitt Me 163 Komet (komeet),

Ontworpen door Alexander Lippisch, was de enige operationele raketjager in de geschiedenis. Het vergde een lange ontwikkeling door Messerschmitt en ging pas in 1944 op zeer beperkte wijze de oorlog in. Het blijft het snelste vliegtuig van de Tweede Wereldoorlog met pieksnelhedenvan meer dan 950 km/u. Het liet zijn wielen los bij het opstijgen en landde op een ventrale schaats die onder de romp was geplaatst.

Operationeel gevechtsgebruik

De eerste operationele eenheid die met de Me 163 moest worden uitgerust, was de Staffel van Jagdgeschwader 20./JG 1 in Bad Zwischenahn. Volgens de oorspronkelijke plannen zou deze eenheid, afhankelijk van de bronnen, in ieder geval eind 1943 of begin 1944 worden gevormd. In de inventaris waren er zo’n 12 volledig operationele Me 163 beschikbaar. Bovendien waren de Duitsers van plan om de Me 163 te plaatsen op een reeks hulpvliegvelden langs geallieerde bommenwerperroutes. Deze zouden volledig zijn uitgerust met reserveonderdelen, munitie en brandstof en dicht bij elkaar worden geplaatst. Op deze manier konden de Me 163-piloten na een aanvalsrun eenvoudig kiezen op welk vliegveld ze wilden landen, wetende dat ze zonder problemen konden bevoorraden. Maar in werkelijkheid duurde het nog een paar maanden voordat de eenheid begin maart 1944 echt officieel werd gevormd.

De eenheid was tegen die tijd omgedoopt tot Jagdgeschwader 1./JG 400 en gestationeerd op Fliegerhorst Deelen. De commandant van de eenheid was Oberleunant Rober Olejnik. Ze werden verplaatst naar Wittmundhafen omdat het vliegveld van Deelen ongeschikt bleek voor de operatie van de Me 163. De ontwikkeling van een netwerk van ondersteunende vliegvelden is nooit voltooid.